Mogelijke criteria voor kind-inclusie

Prof. De Greef, gelieerd aan de Vrije Universiteit van Brussel en Maastricht University, schreef onderstaand artikel over mogelijke criteria voor kinderinclusiviteit. Het vormt de basis voor de Kind-inclusie-index, die wordt ontwikkeld als instrument om te bepalen in hoeverre gemeenten kinderen betrekken bij besluitvorming.

1. Sociale inclusie: werken aan sociale productiviteit

Het eerste element van inclusie is de sociale inclusie. Centraal staan activiteiten in de maatschappij die niet gericht zijn op het verkrijgen van een plek of verbeteren van de positie op de arbeidsmarkt. Activiteiten die een plek krijgen in het leven van mensen in hun privétijd en waarbij mensen hun eigen kennis, kunde en houding inzetten om het sociaal kapitaal te optimaliseren.

Investering in sociaal kapitaal als basis voor bevordering van sociale inclusie


Als deelnemers geactiveerd worden om een bijdrage te leveren aan de samenleving, vergroten ze het sociaal kapitaal. Naast individuele redenen als zinvolle dagbesteding en persoonlijke ontplooiing kan maatschappelijke participatie zorgen voor vergroting van het sociaal kapitaal. Smith (2007) zet een aantal definities van sociaal kapitaal op een rij. De rode draad die door deze definities loopt, is de netwerkconstructie van wederkerige interactie van individuen (die wegens een bepaalde reden) aan elkaar verbonden zijn in een bepaalde situatie (samenleving). Putnam (1995) geeft drie redenen waarom investering in sociaal kapitaal om toename van sociaal kapitaal te bevorderen zo belangrijk is, namelijk:

  1. Sociaal kapitaal zorgt ervoor dat burgers gezamenlijk beter problemen kunnen oplossen;
  2. Sociaal kapitaal smeert de ‘wielen’ die ervoor zorgen dat gemeenschappen soepel vooruitgaan;
  3. Sociaal kapitaal verbetert ons lot door vergroting van ons bewustzijn over hoe onderdelen van ons lot aan elkaar gelieerd zijn.

Mensen kunnen gelijke hechte onderlinge banden hebben, oftewel “bonding” in sociaal kapitaal. En mensen kunnen afstandelijkere banden tussen mensen hebben, wat “bridgen” in sociaal kapitaal wordt genoemd (Smith, 2007). “Linking” in sociaal kapitaal is een stap verder en probeert een relatie te leggen tussen bronnen uit verschillende gemeenschappen (Smith, 2007). Indicatoren voor sociaal kapitaal blijven niet hetzelfde. In Amerika waren eerst politiek en burgerlijke verplichting van belang, later is de focus komen te liggen op informele banden en tolerantie, en vertrouwen is een thema dat eind vorige eeuw speelde. Er kan volgens Smith (2007) een opdracht bij educatie liggen om de kracht van sociaal kapitaal te vergroten: door kennis en kunde van het leggen, onderhouden en “uitnutten” van contacten tussen mensen verder aan te leren.

Sociale en educatieve competenties om kunde in sociaal kapitaal te bevorderen

Op de vraag wat men nu eigenlijk moet kunnen en kennen om een bijdrage te kunnen leveren aan het sociaal kapitaal en deel te kunnen nemen aan de samenleving, hebben Huisman et al. (2003) getracht een antwoord te geven. Zij ontwikkelden een overzichtslijst van sociale competenties. Bij sociale competenties gaat het volgens hen om het handelen van leerlingen in verschillende sociale gebruikssituaties. Bevordering van deze competenties zou kunnen leiden tot bevordering van sociaal kapitaal en maatschappelijke participatie. Definitie van sociale competenties volgens Huisman et al. (2003) luidt: “Het uitvoeren van taken op het terrein van het sociaal functioneren: de verschillende soorten van interactie tussen mensen, zowel in de maatschappij, in de privésituatie als in de werksituatie. Dat wil zeggen: gecompliceerde vaardigheden, die bestaan uit kennis en (deel)vaardigheden en waar ook houdingsaspecten onderdeel van uitmaken. Waarden spelen daarbij met name een rol bij het maken van keuzes voor bepaald gedrag. Als de leerling over de sociale competenties beschikt en er met behulp daarvan in slaagt om de taken adequaat uit te voeren, dan is hij “sociaal competent.” Er worden door Huisman et al. (2003) de volgende competenties onderscheiden:

  • Praten en luisteren;
  • Met eigen gevoelens omgaan;
  • Met gevoelens van anderen omgaan;
  • Aardig doen / beleefd zijn;
  • Opkomen voor jezelf;
  • Conflicten voorkomen en oplossen;
  • Keuzes maken / warden en normen ontwikkelen.

Zoals uit eerder besproken concepten blijkt, heeft sociale inclusie onder andere betrekking op hoe mensen een interactie met elkaar aangaan in verschillende situaties in de samenleving. Hiervoor hebben zij betreffende competenties nodig. De indeling naar sociale competenties kan als basis dienen om in kaart te brengen in hoeverre deelnemers competent zijn op het gebied van sociale inclusie. 

2. Politieke inclusie: De deelnemer als politiek beoefenaar

Een redelijk groot aantal volwassenen lijkt deel te nemen aan de politiek. Reingard Spannring (2008) haalt een onderzoek aan onder 10 Europese landen waarin de politieke participatiegraad aan de hand van 6 indicatoren gemeten is, te weten:

  • Belang van politiek in het leven;
  • Interesse in politiek;
  • Discussie over politiek met vrienden;
  • Lid van traditionele politieke partij;
  • Lid van nieuwe politieke partij en sociale bewegingen;
  • Deelname aan petities, demonstraties, boycots, stakingen en bezettingen.

Interesse in politiek en deelname aan petities voor inwoners van 36 jaar en ouder zijn vrij hoog (ca. 38% versus 59%), terwijl lidmaatschap van een beweging in de lokale gemeenschap en organisatie aangaande de omgeving vrij laag is (ca. 4% versus 5%) (Spannring, 2008). Het lijkt dat de echte actieve politieke participatie dus laag is. De duurzame politieke participatie ook, maar de tijdelijke actieve politieke participatie bleek vrij hoog te zijn: ca. 30% nam deel aan een staking en ca. 12.5% aan een boycot (Spannring, 2008). Tijdelijke actieve politieke participatie is dus redelijk hoog.
Verté et al. (2007) hebben naast de indicator politieke interesse en lidmaatschap ook invloed op beleid aangewezen als indicator voor politieke participatie. Deze indicator kan worden toegevoegd aan de lijst van Spannring (2008). Leyenaar (2005) voegt hier nog het stemgedrag aan toe. Om de politieke participatie te vergroten kunnen leerprogramma’s voor inwoners worden opgestart.


Wat is de meerwaarde van politieke participatie? Kersting (2007) ziet de “politieke ontmoeting” als een soort van empowerment. Wil men streven naar gelijkwaardigheid dan zal een “achtergestelde groep” zelf aan de bel moeten trekken en vaardig moeten worden om middels de politiek hun belangen te verdedigen en aan hun trekken te kunnen komen. De noodzaak tot participatie leidt soms tot uitsluiting van groepen (Kersting, 2007). Educatie kan de vaardigheid om te participeren doen toenemen en zorgen dat ook de groepen die “buiten de boot vallen” een plek in het “politieke landschap” krijgen. De politieke inclusie groeit daardoor. Leyenaar (2005) onderstreept dit belang, door aan te geven dat anders het representativiteitbeginsel in het gedrang komt. Anders kunnen de “hardste roepers” altijd aangeven hoe het anders zou kunnen, terwijl juist de “stilleren” ook voldoende aandacht moeten krijgen om hun belangen te kunnen verwezenlijken. Van Ostaaijen en Tops (2007) geven aan dat actieve betrokkenheid van de burger er enkel en alleen voor kan zorgen dat politieke participatie tot iets leidt. Een voorbeeld uit Rotterdam geeft aan dat de lokale overheid het verbeteren van de veiligheid als eerste prioriteit voor de stad had gesteld. Veilige buurten in Rotterdam bleken er enkel en alleen veilig te blijven door de inspanning van de inwoners zelf (Van Ostaaijen en Tops, 2007). De burger moet het startpunt zijn en betrokken worden bij de vorming en uitvoering van beleid om zo de politieke inclusie te vergroten.

3. Inclusie op wijkniveau: De kracht van het collectief

Stedelijke vernieuwing bleek een toverwoord te zijn voor de “aandachtswijken” in Nederland. Het is van groot belang voor de koopkracht in de wijk, het sociaal kapitaal en het woonklimaat dat zo snel mogelijk voor de maatschappelijke stijgers in de wijk aantrekkelijke woonalternatieven worden geboden (Priemus, 2005). Het wonen beïnvloedt de kwaliteit van leven, de sociale leefbaarheid in wijken en mogelijkerwijs de inclusie. Met name voor kansarmen moeten volgens Priemus (2005) voldoende woonalternatieven geboden worden met een ruime variëteit, zodat zij zich op hun gemak voelen in de wijk. Dit vergroot hun inclusie in de wijk. Er moet dus geschakeld worden tussen de “fysieke en sociale pijler”.

Onderzoeken van de Universiteit van Utrecht, het OTB (Onderzoeksinstituut Technische Universiteit Delft) en de WRR (Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid) reiken volgens Priemus (2005) voldoende bouwstenen aan om de fysieke en sociale pijler in de stedelijke vernieuwing aan elkaar te verbinden. Als er wordt gewerkt aan een goede leefomgeving voor de mensen en projecten waardoor mensen leren participeren, zullen ze een eigen plek in de wijk kunnen vinden en neemt inclusie op wijkniveau toe. Smith (2007) benoemt een aantal elementen die bij zo’n gemeenschap voor burgers van belang zijn. Deze elementen kunnen richtinggevend zijn voor de inclusie van inwoners binnen een gemeenschap. De elementen luiden (Smith, 2007):

  • Burgerbetrokkenheid;
  • Politieke gelijkwaardigheid;
  • Solidariteit, vertrouwen en tolerantie;
  • Sociale structuren van samenwerking.

Als men aan bevordering van deze elementen wil werken, kan men educatieve programma’s initiëren. Resultaten van deze leerprocessen zijn individueel, maar ook collectief, te weten (Scottish Executive, 2003): 

  • Toenemen van lokale power en gelijkwaardigheid;
  • Ontwikkeling van gemeenschapsactiviteiten- en organisatie;
  • Invloed uitoefenen op de besluitvorming van publieke en andere organisaties.

Met name het eerste doel streeft naar een aanval op marginalisatie en de bevordering van inclusie van de “zwakkeren”. Deze leerprogramma’s kunnen opgezet worden door behoeften in een groep te identificeren, te proberen gezamenlijk de doelen van de groep te bereiken en mensen aan te moedigen om op collectieve wijze aan deze problemen te werken (Saddington, 1990). Naast een individuele meerwaarde heeft werken aan wijkinclusie dus ook duidelijk een meerwaarde van het collectief en kan het ook als collectief leerproces gezien worden.

4. Vormen van inclusie

Tegengaan van marginalisering van deelnemers die onder de marge leven, kan leiden tot verwerven van een eigen plek in de samenleving, te weten het vergroten van het sociaal, economisch, politiek en eventueel wijkkapitaal. Oftewel het bevorderen van inclusie op vier niveaus, waarbij interactie tussen sociale relaties en individu en samenleving centraal staat. Deze niveaus moeten de productiviteit op sociaal, arbeids-, politiek en collectief (wijk) gebied vergroten. Gezien de doelgroep kinderen is het vraagstuk omtrent arbeidsproductiviteit buiten beschouwing gelaten.

Of deze bevorderd worden, hangt af van de groei van competenties bij deelnemers. Figuur 1 geeft een overzicht van de geschetste perspectieven op deze elementen en de bijbehorende competenties. Als men kinderen betrekt bij besluitvorming is het de vraag of kinderen sociaal, politiek en in een collectief vergelijkbaar als een wijk productief kunnen zijn. In de laatste kolom is een vertaling van de competenties gemaakt naar mogelijke criteria voor de mate waarin een kind betrokken is bij bepaalde besluitvorming.

Figuur 1: Inclusie en haar deelgebieden

Deelgebied Noodzakelijke competenties Mogelijke criteria kinderinclusiviteit
Sociale inclusie (sociale productiviteit) --> sociaal kapitaal
  • Praten en luisteren;
  • Met eigen gevoelens omgaan;
  • Met gevoelens van anderen omgaan;
  • Aardig doen / beleefd zijn;
  • Opkomen voor jezelf;
  • Conflicten voorkomen en oplossen;
  • Keuzes maken / waarden en normen ontwikkelen.
  1. Het kind heeft ruimte om eigen mening te geven.
  2. Het kind heeft ruimte om zijn of haar gevoelens te kunnen uiten of een oordeel te kunnen vellen.
  3. Het kind heeft ruimte om op basis van eigen waarden en normen een keuze te maken.

Arbeidsinclusie 
(arbeidsproductiviteit) --> economisch kapitaal

Niet van toepassing. Niet van toepassing.
Politieke inclusie
(politieke productiviteit --> democratisch kapitaal
  • Belang van politiek in het leven;
  • Interesse in politiek; 
  • Discussie over politiek met vrienden;
  • Lid van traditionele politieke partij;
  • Lid van nieuwe politieke partij en sociale bewegingen;
  • Deelname aan petities, demonstraties, boycots, stakingen en bezettingen;
  • Invloed op beleid; 
  • Stemgedrag.
  1. Het kind heeft mogelijkheid om mee te discussiëren.
  2. Het kind voelt zich betrokken bij de besluitvorming.
  3. Het kind kan duurzaam zijn of haar invloed uitoefenen (bijv. via beleid).
  4. Het kind mag zijn stem laten horen of uitbrengen.
Inclusie op wijkniveau
(wijkproductiviteit) --> Wijkkapitaal
  • Burgerbetrokkenheid;
  • Politieke gelijkwaardigheid;
  • Solidariteit, vertrouwen en tolerantie;
  • Sociale structuren van samenwerking;
  • Toenemen van lokale power en gelijkwaardigheid;
  • Ontwikkeling van gemeenschapsactiviteiten- en organisatie;
  • Invloed uitoefenen over de besluitvorming van publieke en andere organisaties.
  1. Het kind wordt structureel in alle fasen van het besluitvormingsproces betrokken.
  2. De stem van het kind telt even zwaar mee als een andere stem.
  3. Het is duidelijk, dat men vertrouwen heeft in de stem van het kind.
  4. Het kind kan structureel invloed op het besluitvormingsproces uitoefenen.

Naast deze inhoudelijke criteria zou er gekeken kunnen worden naar het besluitvormingsproces op zich. Dit is vergelijkbaar met het besluitvormingsproces bij burgerparticipatie, waarover meer te lezen is onder het kopje Burgerparticipatie door de ogen van kinderen.

Referenties

  • Fortuin, K. & Keune, C. (1997). Anders praten over jeugd: Naar een begrippenkader voor preventief jeugdbeleid. Utrecht: Verwey-Jonker Instituut.
  • Huisman, J., Pijls, T., Van Hoeij, J., Van Voorst van Beest, K., Boonaerts, Y. & Lens, M. (2003). Portfolio sociale competenties: Primair onderwijs, vmbo, mbo. ‘s-Hertogenbosch: CINOP.
  • Kersting, N. (2007). Assessing Local Referendums and Innovative Participatory Instruments. In P. Delwit, J.-B. Pilet, H. Reynaert & K. Steyvers (Eds.), Towards DIY-Politics. Participatory and Direct Democracy at the LocalLevel in Europe, p. 31-50). Brugge: Vanden Broele.
  • Leyenaar, M. (2009). De burger aan zet: Vormen van burgerparticipatie: inventarisatie en evaluatie. Deen Haag: Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
  • Priemus, H. (2005). Het spel en de knikkers: Fysieke en sociale pijler verbonden. Tijdschrift B&G / Uitgave Bank Nederlandse Gemeenten en Vereniging van Nederlandse Gemeenten, 2005 (1), 5.
  • Pröpper, I. en Steenbeek, D. (1999), De aanpak van interactief beleid: elke situatie is anders, Bussum; uitgeverij Coutinho.
  • Putnam, R. D. (1995). ‘Bowling Alone: America’s Declining Social Capital’, Journal of Democracy 6:1, Jan, 65 - 78.
  • Raad voor Openbaar Bestuur (2004). Burgers betrokken, betrokken burgers.
  • Saddington, D. (1990). Neighbourhood, crime and informal education. http://www.infed.org/archives/usinginformaleducation/saddington.htm
  • Scottish Executive (2003). Working and learning together to build stronger communities. Working draft Community Learning and Development Guidance, Edinburgh: Scottich Executive. Available in the informal education archives: http://www.infed.org/archives/gov_uk/working_together.htm
  • Smith, M. K. (2007). Social capital. The encyclopedia of informal education, 2007. 26 – 07 – 2007.<www.infed.org/biblio/social_capital.htm>.
  • Spannring, Reingard (2008) ‘Understanding (non-) Participation: Forms, Meanings and Reasons’, in Reingard Spannring, Günther Ogris and Wolfgang Gaiser (eds) Youth and Political Participation in Europe. Results of the Comparative Study EUYOUPART, p. 55 - 85.
  • Van Ostaaijen, J.J.C. & Tops, P.W. (2007). De erfenis van vier jaar Leefbaar Rotterdam. Justitiële verkenningen, 33(2), p. 21 - 30.
  • Verté, D., De Witte, N. & De Donder, L. (2007). Schaakmat of aan zet? Monitor voor lokaal ouderenbeleid in Vlaanderen. Brugge: Uitgeverij Van den Broele.
Meer informatie

Bent u geïnteresseerd in de resultaten? Bekijk de pagina's van de pilotgemeenten. Ook kunt u hier nieuwsberichten lezen. Wanneer u wilt horen wat een Raad van Kinderen voor uw gemeente kan betekenen, kunt u altijd bellen naar 070-345 51 06 of een mail sturen naar gemeenten@missingchapter.org.

#
#
Missing Chapter
Raad van Kinderen
Ministerie van sociale zaken en werkgelegenheid